Simon Says:

Hoe belangrijk zijn die hele kleine, zwevende vochtdruppeltjes?

Coronajournaal aflevering 59

Het leuke van een nieuw natuurverschijnsel – en zo mogen we het coronavirus toch wel noemen – is dat je daarmee op een andere manier naar de bestaande wereld kijkt. Zo is het opeens van levensbelang hoe wij praten, hoesten, niezen, zingen, hijgen en schreeuwen. Wat voor druppeltjes komen er dan uit onze mond?

Het is een onderwerp dat nooit de krant of een talkshow zou halen maar de afgelopen weken gaat het er over.

Er is immers een wezenlijk verschil in formaat tussen speekseldruppeltjes. De grens ligt bij 10 micrometer (ook wel micron genoemd) ofwel 0,01 millimeter. Druppeltjes die groter zijn, vallen binnen enkele seconden naar beneden. Dat weten we al sinds tbc-onderzoek uit de jaren dertig van de vorige eeuw. De norm van één tot twee meter afstand (waar Nederland tussen is gaan zitten) is daar op gebaseerd.

Kleinere vochtdruppeltjes vallen niet of niet gelijk. Ze blijven zweven en hebben een bereik van enkele meters. Deze kleintjes worden ook wel aerosolen genoemd. Of ‘mist’, alhoewel dat een misleidende aanduiding is want mist (en een wolk, een ander voorbeeld van een aerosol) kun je zien en deze minieme zwevende druppeltjes nou juist niet.

Het verschil tussen de grote en kleine druppeltjes is al tientallen jaren bekend, maar heeft bij corona een zware lading gekregen. Dat komt mede door de zogeheten ‘superverspreidingen’. De Leidse hoogleraar epidemiologie Frits Rosendaal: ‘We zijn erachter gekomen dat het virus vooral opduikt op plekken waar grote groepen mensen hard naar elkaar roepen. Carnaval, kerkkoren, voetbalstadions, de après-skibar op wintersport.’

Wat er bij die superverspreidingen gebeurt, is nog niet helemaal duidelijk maar als de besmetting ontstaat door onzichtbare wolken kleine vochtdruppeltjes dan lijkt de aanpak voor corona simpel: verbied dergelijke grote bijeenkomsten en dan kunnen de mensen die niet zingen, hoesten, schreeuwen of hijgen gewoon weer bij elkaar in de buurt komen.

Tot nu toe was dit een debat tussen virologen, infectiologen, microbiologen en een groep opstandige burgers (onder aanvoering van opiniepeiler en zelfbenoemd deskundige Maurice de Hond) die van de anderhalve-meter-samenleving af willen, maar sinds kort bemoeien ook vloeistoffysici zich er mee. Het begon met de Amsterdamse fysicus Daniel Bonn die in het medische tijdschrift The Lancet een studie publiceerde dat kleine druppeltjes (van 0,005 millimeter) wel negen minuten konden blijven hangen in een slecht geventileerde ruimte.

Wetenschapsredacteur Joep Engels van Trouw sprak een hoogleraar vloeistoffysica uit Twente, Detlef Lohse, die bevestigde dat de kleine druppeltjes die bij het spreken vrijkomen veel verder reizen dan anderhalve meter en een paar minuten blijven zweven in slecht geventileerde ruimtes. Mede om die reden wil Lohse dan ook voorlopig niet naar een restaurant – althans niet in Nederland, waar mensen nauwelijks mondkapjes dragen.

De cruciale vraag natuurlijk is hoeveel virus er in die kleine druppeltjes zit. Is dat voldoende om iemand te besmetten?

De meeste Nederlandse virologen houden de boot af. Volgens de Rotterdamse hoogleraar virologie Marion Koopmans komt uit het merendeel van de studies naar voren dat ‘die aerosolen’ een ondergeschikte rol spelen. De Leidse hoogleraar virologie Louis Kroes stelt in de Volkskrant dat corona zich toch echt anders gedraagt dan waterpokken. ‘Waterpokken kan zich op een ziekenhuisafdeling over vele kamers verspreiden, zelfs al hou je de deuren dicht. Het gaat onder drempels door, zeggen we dan.’

Ook de Nijmeegse hoogleraar infectiepreventie Andreas Voss constateert zowel in de NRC als in Trouw dat in de meeste studies geen levend virus op grotere afstand dan anderhalve meter van een patiënt is aangetroffen. Verder benadrukt hij dat de maatregelen van sociale distantie overal lijken te werken en die zijn nu eenmaal gebaseerd op het idee van druppelbesmetting over maximaal anderhalve meter.

Verder wijst hij op de hoogte van de reproductiefactor R. Virussen die zich echt via de lucht verzamelen (in jargon: ‘airborn’ zijn) hebben een veel hogere R. Waterpokken heeft een reproductiefactor van 8, het mazelenvirus zit tussen 15 en 20. Het coronavirus zit tussen 2 en 3.

Is daarmee het idee dat corona zich via heel kleine vochtdruppeltjes verspreidt nu definitief van de baan? Vermoedelijk niet. De reproductiefactor R is immers een gemiddelde over de bevolking. Wanneer de meeste mensen niemand besmetten en een paar procent van de virusdragers via superverspreidingen in een voetbalstadion, een kerk of een sportschool vol hijgende mensen net als bij mazelen tussen de 15 en 20 anderen aansteken, dan kom je gemiddeld nog steeds op 2 à 3 uit.

Met andere woorden, het druppeldebat gaat nog wel even door.

 

Zie ook mijn eerdere coronajournaals.